Financieringskostensurplus (FKS): Wat nu concreet?

Voor boekjaren beginnend vanaf 1 januari 2019 is het zogenaamd ‘financieringskostensurplus’ niet aftrekbaar in de mate dat ze het hoogste van volgende twee grensbedragen overschrijdt:
• 3 miljoen euro
• 30% van de fiscale EBITDA

Het FKS wordt in art. 198/1 § 2 WIB 1992 gedefinieerd als het positieve verschil tussen de financieringskosten en financieringsopbrengsten. Financieringskosten worden ruim bekeken als interestlasten, maar ook de economisch gelijkwaardige kosten, die een aftrekbare beroepskost vormen. Analoog geldt hetzelfde voor de financieringsopbrengsten.

Belangrijk om op te merken is dat ook kmo’s geconfronteerd worden met deze nieuwe regeling. Ze zullen hun FKS moeten berekenen, ook al betreft het een beperkte groep die globaal minder dan 3 miljoen euro financieringskosten hebben. Hierbij zal men deze minimumdrempel van 3 miljoen euro moeten verdelen onder de vennootschappen. In dit geval dient men eveneens bijlage 275 CRC, ter collectieve verzaking aan de complexe EBITDA-berekening, bij te voegen aan de aangifte vennootschapsbelasting. Deze formaliteit dient vervuld te worden door ten minste één van de overeenkomstsluitende partijen.

Er zijn drie verschillende mogelijkheden om de minimumaftrek van 3 miljoen euro te verdelen onder de Belgische vennootschappen en inrichtingen. Vooreerst is er de mogelijkheid om de optelsom van 30% van alle belastbare EBITDA-posities binnen de Belgische groep aan te vullen tot 3 miljoen euro. Deze aanvulling zal dan het te verdelen bedrag uitmaken en deze verdeling gebeurt in functie van de behoefte aan bijkomende aftrekcapaciteit.

Een tweede manier is een collectieve verzaking aan de berekening van de belastbare EBITDA en het grensbedrag van 3 miljoen euro te verdelen op basis van het FKS. Tot slot kunnen de Belgische vennootschappen collectief verzaken aan de EBITDA-berekening en het grensbedrag van 3 miljoen euro evenredig verdelen.

Wanneer de groep vennootschappen echter van een andere grootorde is, zal men na een ad hoc consolidatie de ‘fiscale EBITDA’ moeten berekenen van elke vennootschap afzonderlijk. Hieruit zal dan blijken of er vennootschappen zijn met een (deel) niet-aftrekbare finacieringskostensurplus. Op te merken is dat men enkel de transacties met de Belgische groepsvennootschappen en Belgische inrichtingen dient te elimineren. Wanneer een vennootschap een negatieve EBITDA heeft, zal deze eerst moeten verdeeld worden onder de overige vennootschappen met een positieve EBITDA alvorens men de aftrekcapaciteit kan berekenen.

De wetgever laat echter toe om aftrekcapaciteit van de ene vennootschap, die aftrekcapaciteit over heeft, over te dragen aan een andere vennootschap, die nog capaciteit nodig heeft. Deze overdracht dient vastgelegd te worden in een formele overeenkomst tussen de partijen. In dit geval moet bijlage 275 CDI bijgevoegd worden aan de aangifte vennootschapsbelasting.

Indien u hiervoor bijstand wenst staan onze adviseurs ter uwer beschikking.

Heeft u nog vragen over dit onderwerp?
Contacteer nu de expert van HLB:

marc.dierckx@hlb.be

Gecertificeerd fiscaal accountant
+32 3 449 97 57

Marc Dierckx

Share